dutch verbs

Present simple
and past simple

presente e pretérito imperfeito

ott en ovt

present 

present simple

o.t.t 
onvoltooid tegenwoordige tijd

presente

pretérito imperfeito

dutch verb conjugation...easier than portuguese >>>>

past

o.v.t
onvoltooid verleden tijd 

past simple

look now at the present simple  and the past simple of this  regular dutch verb 'werken' (to work, trabalhar)

If you don't focus on the the things which differ but try to find the things the verbs have in common you have to see a basic structure: 

  • very few conjugational endings in both present and past
  • a clear, consistent, simple structure of the present
  • the past has only 2 different endings: 1 for singular and 1 for plural

look at the present simple  and the past simple of this  irregular dutch verb 'lopen' (to walk, andar de pé)

present simple [ott]

ik     loop
jij    loopt
hij    loopt


wij    lopen
jullie lopen
zij    lopen

present simple [ott]

ik      werk
jij     werkt
hij     werkt

 

wij     werken
jullie  werken
zij     werken

past simple [ovt] 

ik      liep
jij     liep
hij     liep


wij     liepen
jullie  liepen
zij     liepen

past simple [ovt]

ik      werkte
jij     werkte
hij     werkte

 

wij     werkten
jullie  werkten
zij     werkten

Some more regular and irregular verbs to get used to the basic simple present and past Dutch verb-conjugations: 

Denken (to think, pensar /achar)

present simple [ott]

ik      denk
jij     denkt
hij     denkt

 

wij     denken
jullie  denken
zij     denken

present simple [ott]

ik      leer
jij     leert
hij     leert

 

wij     leren
jullie  leren
zij     leren

Leren (to learn/teach, aprender/ensinar)

past simple [ovt]

ik      dacht
jij     dacht
hij     dacht

 

wij     dachten
jullie  dachten
zij     dachten

past simple [ovt]

ik      leerde
jij     leerde
hij     leerde

 

wij     leerden
jullie  leerden
zij     leerden